Naar de inhoud
Materiaal

Duinbaan of polderbaan: hoeveel wedges, welke graden, welke bounce

Je pitchingwedge is niet het laatste ijzer van de set. Het is de eerste van je wedges, en hij ligt tegenwoordig ergens tussen 43 en 48 graden. Elke andere loftbeslissing volgt daaruit. Hoeveel wedges je meeneemt, hoe ver ze uit elkaar moeten liggen, en waarom duinzand en polderklei precies het tegenovergestelde vragen.

La rédaction Panxis Golf, Nederland-desk (Daan van der Berg) · · 9 min
Zool van een club achter de bal op het gras
Photo Kampus Production / Pexels

Kort

  • Zoek eerst de loft van je eigen pitchingwedge op: moderne sets lopen van 43 tot 48 graden, game improvement ijzers tot 42.
  • Vier tot zes graden tussen twee wedges, oftewel tien tot veertien meter. Meer, en er blijft een afstand over die je alleen forceert.
  • Bounce: 4 tot 6 graden op de duinbanen, 7 tot 10 als veilige keuze, boven de 10 op natte klei en veen en in fijn, diep bunkerzand.
  • Een Vokey SM11 staat bij de Europese ketens rond € 220; instapwedges liggen bij Golfdiscounter tussen € 45 en € 70. Laat eerst je huidige lofts meten.

De meeste golfers kopen hun wedges zoals ze stoppen kopen: op het moment dat er iets niet meer werkt. De sandwedge komt met de ijzerset mee, de lobwedge wordt aangeschaft na een rampzalige middag in de bunkers, en de gapwedge duikt twee jaar later op omdat er een gat in de tas zit dat niemand heeft opgemeten. Drie clubs die nooit samen zijn uitgezocht, verantwoordelijk voor het deel van de baan waar de helft van je slagen valt.

Wedges zijn de enige clubs in je tas die je met rekenwerk goed kunt kopen. De twee getallen op de zool, loft en bounce, vertellen bijna alles. Wat ze betekenen, hoeveel wedges je echt nodig hebt, en hoe je de graden kiest zonder te gokken.

Begin bij de loft die je al hebt

Voordat je iets koopt: zoek uit wat je pitchingwedge werkelijk is. Niet de P op de kop, maar de loft in de specificatie van de fabrikant voor jouw model en jouw bouwjaar.

De loft van de pitchingwedge kruipt al twintig jaar omlaag. Klassiek was 48 graden. De meeste sets zitten nu tussen 43 en 48, en game improvement ijzers gaan tot 42 of 43 graden, omdat een sterkere loft het ijzer 7 verder laat vliegen op de demomat. Daar is niets mis mee, maar het schuift de onderkant van je ijzerset zeven meter verder weg en opent daaronder een gat dat de rest van de tas moet dichten.

Schrijf het getal op. Je pitchingwedge is niet het laatste ijzer van de set. Het is de eerste van je wedges, en elke andere loftbeslissing volgt eruit.

Hoeveel wedges: tel terug vanaf veertien

Je mag veertien clubs meenemen. Begin aan de andere kant van de tas en kijk wat er overblijft.

Een putter, een driver, en de hout- of hybrideclubs die je echt slaat. Dan de ijzers tot en met de pitchingwedge. Tel de rest. Elf clubs voor de wedges laat ruimte voor drie. Tien laat ruimte voor vier.

Drie past bij de meeste golfers. Vier past bij één specifiek type: degene die veel greens raakt van binnen 110 meter en daar fijnere stappen wil dan aan het lange eind van de tas. Sleep je nog een ijzer 3 mee dat nooit de lucht in gaat, dan levert die plek als vierde wedge meer op. Kom je van 35 meter niet over een bunkerrand, dan is een vierde wedge niet het antwoord op jouw probleem.

De drang naar een vierde wedge is het sterkst bij de spelers die hem het minst nodig hebben. Wie handicap 20 speelt, slaat veel vaker van 140 meter dan van 50, en de vierde wedge verdringt meestal een hybride die vaker van pas was gekomen.

De graden: vier tot zes, zonder uitzondering

Tussen twee opeenvolgende wedges hoort vier tot zes graden te zitten. Onder de vier gaan twee clubs even ver, en dat is een weggegooide plek. Boven de zes blijft er een afstand over die je alleen haalt door de ene club af te knijpen of de andere te forceren, en dat is precies de slag die amateurs het vaakst missen.

Vier graden is voor de meeste spelers ongeveer tien tot veertien meter. Dat is het gat dat je wilt dichten, en daarom tellen de loftgetallen veel zwaarder dan de modelnaam.

Reken het door met een pitchingwedge van 45 graden. Zet er 50, 54 en 58 onder en je hebt stappen van vijf graden tot onderaan, drie wedges, geen gat. Reken het nu door met 43 graden, wat veel moderne sets hebben. Diezelfde 50 ligt ineens zeven graden verderop. Of je voegt een 47 of 48 toe en draagt vier wedges, of je accepteert een gat precies daar waar je approaches vallen.

Twee samenstellingen verdienen een naam. Pitchingwedge, 50, 54, 58 is het antwoord met vier clubs voor een sterk gelofte set: de pitchingwedge blijft ijzer en daaronder staan drie echte wedges. Pitchingwedge, 52, 56, 60 is de klassieker met drie wedges, en die klopt netjes als de pitchingwedge 46 of 47 graden is, niet als hij 43 is.

Eén waarschuwing over de onderkant van de tas. Een wedge van 60 graden is moeilijker zuiver te raken dan een 56, kost afstandcontrole, en straft een matige raakmoment harder af dan welke club dan ook. Ben je met een 56 van een kale lie nog niet zeker, dan redt een 60 je niet. De meeste clubgolfers zouden beter scoren door bij 58 te stoppen.

Bounce: het getal dat je altijd hebt genegeerd

Bounce is de hoek tussen de voorste rand en het laagste punt van de zool, met de club recht op de grond. Hij bepaalt of de club de grond in graaft of eroverheen glijdt. Het is het nuttigste getal op een wedge en het getal dat bijna niemand opzoekt.

Weinig bounce is ongeveer 4 tot 6 graden. Dat past bij vaste grond, kale lies, grof of aangestampt zand en een vlakke swing die nauwelijks een plag neemt.

Middelmatige bounce is ongeveer 7 tot 10 graden. Dat is het veilige antwoord voor vaste tot normale grond en voor de meeste swings, en daarom is het bij vrijwel elk model de standaarduitvoering. Koop je zonder fitting, koop dan deze.

Veel bounce is boven de 10 graden. Dat past bij zachte grond, lies waarin de bal op het gras ligt, zacht zand en een steile swing met een diepe plag. De zool raakt de grond eerst en houdt de club in beweging in plaats van de rand te laten wegzakken.

Je eigen swing lees je zonder launch monitor. Kijk na negen holes naar je plaggen. Diep en lang betekent dat je graaft en meer bounce wilt. Een schaafplek, of helemaal niets, betekent dat je veegt en minder bounce wilt. Bijna iedereen neemt met een wedge een plag en met een fairwayhout niet, dat is normaal, en de wedgeplag is de plag om te lezen.

En kijk daarna naar de grond waarop je speelt. Dat is het deel van de beslissing dat niemand lokaal genoeg neemt, en in dit land scheelt het meer dan je swing.

Grind, in één alinea

Grind is de vormgeving van de zool: materiaal dat bij de hiel, de teen of de achterrand is weggeslepen zodat de club zich anders gedraagt als je het blad draait. Je hoeft de lettercodes niet te leren. Je hebt één regel nodig. Open je het blad voor welke slag dan ook, dan heb je hielvrijloop nodig, want een open blad tilt anders de voorste rand van de grond en dan sla je hem dun. Speel je alles vierkant, dan voldoet een volle standaardzool en heb je op zachte grond meer marge. Vertel de fitter welke van die twee golfers je bent en laat hem de letter kiezen.

Wat het kost, en waar je het geld niet aan moet uitgeven

Een nieuwe premiumwedge is niet goedkoop. Een Titleist Vokey SM11 met stalen schacht staat bij de Europese ketens rond € 220 in de lijst. Drie daarvan is meer dan € 650, meer dan veel clubgolfers voor hun ijzerset hebben betaald. Aan de andere kant van het schap staan instapwedges van merken als Wilson en Skymax bij Golfdiscounter tussen € 45 en € 70, en voor de basisslag doen die gewoon hun werk.

Twee manieren om minder uit te geven zonder slechter te kopen. Ten eerste het model van vorig jaar. Wedgetechniek gaat langzaam, de groeven zijn door de regels begrensd, en de vorige generatie van dezelfde kop kost meestal een derde minder en is identiek in alles wat telt. Ten tweede de juiste volgorde. Alle drie tegelijk vervangen is zelden nodig: begin met degene die je het vaakst slaat, en dat is bij vrijwel iedereen de sandwedge.

Wat het geld wel waard is, zijn verse groeven. Wedgeslagvlakken slijten, en een versleten 56 geeft uit natte rough veel minder spin dan een nieuwe. Zijn je wedges vijf jaar oud en speel je elke week door een Nederlandse winter, dan zijn de groeven de reden dat de bal achter de vlag doorrolt, en niet je techniek.

Waar duinbaan en polderbaan de vraag anders beantwoorden

Nederland is waarschijnlijk het duidelijkste land van Europa om dit uit te leggen, omdat de twee bodemtypes hier tien kilometer uit elkaar liggen en precies het tegenovergestelde vragen.

De duinbanen zijn het argument voor weinig bounce. Kennemer, Noordwijk, De Haan aan de Belgische grens, de banen bij Wassenaar en Bloemendaal staan op doorlatend zand met fijn gras, drogen in enkele uren op en geven een kale lie op een vaste ondergrond. Een zool met 14 graden stuitert daar met de voorste rand recht in het midden van de bal. Op zulke banen is 4 tot 8 graden op je laagst gelofte wedge de verstandige keuze, het hele jaar door.

De polderbanen zijn het omgekeerde, en daar speelt de meerderheid. Een baan op klei of veen in Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland of Friesland is van november tot maart zacht, de bal zakt weg, en de plag komt eruit als een punt taart. Veel bounce houdt de club daar in beweging. Dezelfde baan is in een droge augustus vast genoeg om het duinbaanantwoord te vragen, en dat is het echte dilemma. De werkbare tussenoplossing voor wie het hele jaar op één baan speelt: middelmatige bounce op de sandwedge, waar de meeste korte slagen vallen, en lagere bounce op de lobwedge die je van kale lies rond de green gebruikt.

Het bunkerzand trekt dezelfde kant op en is met de hand te controleren. Veel Nederlandse clubs hebben fijn, zacht, diep zand waar alleen veel bounce onder de bal komt. Oudere banen hebben vaak dun, grof, aangestampt zand waar diezelfde zool van de harde bodem afstuitert en je hem in de rand slaat. Steek je hand in de oefenbunker van je eigen baan voordat je een bunkerwedge koopt: het zand bij jou is een feit, de aanbeveling in een catalogus niet.

Voor fitting hebben de grotere golfwinkels en de indoorstudio’s hitbays en launch monitors en doen ze een wedgegappingsessie op eigen apparatuur. Fabrikantendagen draaien van april tot september op banen door het hele land en kosten niets. Het goedkoopst en het meest vergeten: je eigen clubprofessional legt de wedges die je al hebt in tien minuten op een loft- en liemachine. Wedges verbuigen door gebruik, en een 54 die stilletjes een 52 is geworden, is een gat waar je al een seizoen omheen speelt zonder het te weten.

Vijf dingen om te doen voordat je koopt

  • Zoek de loft van je pitchingwedge op. Elk ander getal hangt daarvan af.
  • Tel terug vanaf veertien om te zien of je ruimte hebt voor drie wedges of vier.
  • Houd vier tot zes graden tussen de wedges, en wees eerlijk over de vraag of je een 60 nodig hebt.
  • Lees je plaggen, lees daarna je grond en je bunkerzand, en koop de bounce waar die twee het over eens zijn.
  • Laat de lofts van de wedges die je hebt meten voordat je er één vervangt.

Wedges bepalen je score op de holes die misgaan. Als set gekozen, vier tot zes graden uit elkaar, met de bounce die past bij de grond waar je in februari werkelijk op staat, dekken ze elke afstand binnen 110 meter af zonder dat je een slag hoeft te verzinnen. Eén voor één gekozen, gehaast, na een slechte ronde, dekken ze er ongeveer tweederde van.

Is één artikel per dag niet genoeg?

De maandbrief bundelt wat de moeite waard was, zonder ruis.

Ook lezen