Lange putts: zo stop je met drie putten
Drie putts zijn een lengteprobleem, geen bewegingsprobleem. De ladder, de corridor achter de hole en tien minuten op de oefengreen halen er twee per ronde uit.
Kort
- Van twaalf meter telt de lengte, niet de lijn.
- Mik op een corridor tot een meter achter de hole.
- IJk je snelheid op de green die je die dag speelt.
- Binnen drie meter kantelt het: dan telt de startlijn.
Drie putts zijn geen bewegingsprobleem maar een lengteprobleem. Wie elke lange putt binnen een meter legt, schrijft betere scores dan iemand met een mooiere beweging die er twee meter voorbij rolt. Het is bovendien het onderdeel dat het snelst verbetert, omdat er niets aan techniek voor nodig is.
Een nuchtere maatstaf om te beginnen: op een gemiddelde ronde put een clubspeler zo’n 33 tot 36 keer, en drie of vier daarvan zijn drie putts. Twee daarvan weghalen is twee slagen, en dat is meer dan de meeste spelers in een heel seizoen van hun swing winnen.
Van ver telt de lijn minder dan je denkt
Vanaf twaalf meter is de hole voor je tweede putt in de praktijk een meter breed. Mis de lijn met dertig centimeter en je houdt een formaliteit over. Mis de lengte met twee meter en de lijn deed er niet toe.
Toch besteedt de gemiddelde speler zijn hele voorbereiding aan de breek. Draai de verhouding om: bepaal eerst hoe hard je slaat, kies daarna de lijn die bij die snelheid hoort, en accepteer dat je van ver niet mikt om te holen maar om een korte tweede putt over te houden.
Mik op een corridor, niet op de hole
Zet een tee een meter achter de hole en probeer elke lange putt tussen hole en tee te laten liggen. Die corridor is haalbaar, en hij maakt een einde aan de gewoonte om elke putt kort te laten sterven, waarmee elke kans verdwijnt dat er een valt.
Het voordeel zit ook in de tweede putt: een bal die dertig centimeter voorbij ligt, geeft een opwaartse tweede putt, en die is aanzienlijk makkelijker dan dezelfde afstand bergaf. Wie systematisch te kort put, laat zichzelf steeds de moeilijkste variant over.
De ladder, tien minuten voor je afslaat
Leg ballen op zes, negen en twaalf meter van dezelfde hole, putt ze op volgorde en daarna terug. Je probeert niets te holen. Je ijkt hoe ver de putter teruggaat voor een bepaalde lengte, en dat is de enige variabele die op afstand telt.
Doe het op de oefengreen van de baan die je gaat spelen, niet thuis op een mat. Nederlandse greens lopen in mei traag en in augustus vaak twee keer zo snel, en dezelfde beweging levert dan totaal verschillende afstanden op. Tien minuten ijken is goedkoper dan welke les ook.
Lees het verval met je voeten
Loop van de bal naar de hole langs de lijn. Je voeten registreren omhoog en omlaag ruim voordat je ogen dat doen, en het verschil tussen licht bergop en licht bergaf verandert de benodigde lengte met tientallen procenten.
Op een duinbaan met glooiende greens is dit de nuttigste gewoonte die je kunt aanleren, en ze kost geen tijd als je het doet terwijl anderen putten. Kijk ook naar het grote verval van het terrein: greens lopen bijna altijd af richting het water, de sloot of de laagste kant van de baan.
Kijk naar de hole, niet naar de bal
Probeer vijf putts van twaalf meter terwijl je naar de hole kijkt in plaats van naar de bal. Bijna iedereen komt dichterbij, vaak spectaculair veel dichterbij.
De reden is eenvoudig: de lange putt is een afstandsinschatting, en het brein schat afstanden beter in als het het doel ziet, precies zoals bij het gooien van een bal. Of je het op de baan durft te doen is een tweede; als oefening laat het je voelen hoeveel informatie je normaal weggooit.
De eerste twee putts van de dag
Behandel ze als ijking, niet als scorekans. De snelheid van een green verandert per dag, per uur en na elke bui, en de speler die op hole 1 twee meter te kort blijft, heeft geen slechte beweging maar verouderde informatie.
Wie geen tijd had om te oefenen, kan die ijking op de baan doen: sla je eerste lange putt bewust een fractie stevig en kijk hoeveel hij doorloopt. Dat is een goedkope les die op hole 2 al rendeert.
Wind op de green
Bij windkracht vijf op een open baan rolt een putt met de wind mee merkbaar verder dan dezelfde putt ertegenin, en op een snelle, droge green kan de bal in de wind zelfs bewegen als hij stilligt.
Dat laatste is een regelsituatie die het waard is te kennen: beweegt de bal nadat je hem hebt neergelegd, zonder dat jij hem hebt aangeraakt, dan speel je hem vanaf de nieuwe plek zonder straf. Heb je hem gemarkeerd, opgenomen en teruggelegd, dan leg je hem terug op de oorspronkelijke plek.
De putt van drie meter is een ander spel
Alles hierboven gaat over afstand. Binnen ongeveer drie meter kantelt het: daar bepaalt de startlijn of de putt valt, en daar is de bladstand op het moment van raken vrijwel de enige variabele die telt. Een blad dat twee graden openstaat, mist van drie meter de hole.
Dat verklaart waarom veel spelers goed lange putts slaan en toch veel korte missen, of andersom. Het zijn twee verschillende vaardigheden met twee verschillende oefeningen: de ladder voor de lengte, en tien putts van een meter achter elkaar, bij een misser weer van voren af aan, voor de lijn.
Die tweede oefening is bewust ongemakkelijk. De druk van niet willen herbeginnen lijkt genoeg op de druk op hole 18 om over te dragen, en dat is precies wat oefenen zonder druk niet doet.
Waar je dit in Nederland oefent
De oefengreen van de baan die je speelt is het volledige antwoord, en hij is vrijwel overal bij de greenfee inbegrepen. Het is ook de enige plek die je de snelheid van vandaag geeft: tien minuten eerder komen is de hele kostprijs.
Wie thuis oefent, moet weten wat een mat wel en niet leert. Een puttmat is uitstekend voor de beweging en de startlijn, en volstrekt nutteloos voor de lengte, omdat hij één snelheid heeft en een green er dertig. Gebruik de mat voor putts van een meter en de oefengreen voor al het andere.
Blijkt het probleem toch in de startlijn te zitten, dan is dat te meten. De fittingbays van gespecialiseerde winkels meten bladstand en startrichting, meestal in het kader van een putterfitting, en de pro van je club ziet in twintig minuten of het aan de lengte van je putter ligt. De banenzoeker van golf.nl helpt bij het vinden van banen met een ruime oefengreen bij jou in de buurt. Panxis Golf heeft geen commerciële band met de genoemde organisatie.
De laatste holes, als het telt
Onder druk worden lange putts korter geslagen dan bedoeld, om dezelfde reden dat korte putts sneller worden geslagen: de handen nemen het over en de beweging krimpt. Op de zeventiende green is dat het verschil tussen een tik van een halve meter en een van twee meter.
De tegenmaatregel is een vaste routine op afstand: twee proefswings met je ogen op de hole in plaats van op de bal, en dan slaan zonder pauze. Wie dat elke lange putt van de ronde doet, doet het op hole 17 ook.
Drie dingen voor je volgende ronde
- Tel je drie putts in plaats van je totaal aantal putts.
- Probeer elke putt van meer dan acht meter net achter de hole te laten eindigen.
- Tien minuten oefengreen voor elke ronde, allemaal van ver.
- Loop de lijn met je voeten terwijl je medespelers aan de beurt zijn.
Niemand holt lange putts expres. Ze expres dichtbij leggen is een vaardigheid, en het zijn de goedkoopste twee slagen per ronde die er te halen zijn.
Waar je dit op de baan merkt
Drie banen uit onze gids waar de green beslist.
- Golfbaan Bentwoud: Vergunning in 2009, eerste holes in 2011: een baan van Gerard Jol in het jonge Bentwoud, met harde fairways, snelle greens en een clubgebouw van cortenstaal.
- Golfclub Anderstein: In 1986 opgericht in Maarsbergen: drie lussen op de grens van Gelderse Vallei en Utrechtse Heuvelrug, ruim 6.200 meter, en greens die spelers steevast snel noemen.
- De Peelse Golf: Een Alan Rijks uit 1996 in de Peel: par 72 met NGF A-status, water bij elke slag op hole zeven en een island green op de vijftiende.
Wij hebben deze banen niet gespeeld; elke pagina zegt waarop zij zich baseert.






